
Psalm 9-10
Kees Waaijman leidt de psalm in.
1 Voor de verduurder.
0 Geheimen.
0 Van Ben.
0 Deun.
0 Van David.
2 Erkennen wil ik Wezer met al mijn hart,
0 vertellen wil ik al jouw zonderheden.
3 Verheugen wil ik mij en gloriëren in Jou,
0 deunen wil ik jouw naam, Ontstegene,
4 wijl mijn vijanden achterwaarts keren,
0 zij struikelen en sneven voor jouw gelaat.
5 Ja, Jij maakt mijn schikking en mijn vonnis,
0 Jij zetelt op de stoel naar bewaring schikkend.
6 Jij briest de naties toe, Jij laat de doemende sneven,
0 Jij veegt hun naam eeuwig en immer.
7 Gaaf heen de vijand in durende droogte
0 en steden rooi Jij, hun gedachtenis sneeft.
8 Zij, en Wezer zetelt eeuwig,
0 vestigt tot schikken zijn stoel.
9 En Hij schikt de kreits bewarend,
0 Hij vonnist de sibben naar recht.
10 En Wezer weest steilte voor de gestotene,
0 steilte in tijden van nauwte.
11 En veiligen zich in Jou wie voelen jouw naam,
0 ja, Jij verlaat niet wie Jou vragen, Wezer.
12 Deun Wezer zetelend op de Sion,
0 duid in de volken zijn werken.
13 Ja, Hij die bloed navraagt, gedenkt hen,
0 niet vergeet Hij de schreeuw van gebogenen.
14 Begenadig mij, Wezer, zie mij door mijn schuwers gebogen,
0 Jij die mij van de poorten van de dood verhoogt,
15 opdat ik vertellen wil al jouw viering,
0 in de poorten van Sions dochter juichen wil in jouw bevrijding.
16 De naties zinken in de zijg die zij maakten,
0 in het net dat zij verstopten gevangen hun voet.
17 Voelen doet zich Wezer, Hij maakt schikking,
0 in het gewrocht van zijn palmen verstrikt de doemende.
0 Plavei, Gemurmer.
18 Doemenden keren naar de woestenij,
0 alle naties, de Machtige vergeten.
19 Ja, niet durend is vergeten de behoeftige,
0 gesneefd de spanning van gebogenen voor immer.
20 Sta op, Wezer, de mens were zich niet,
0 schikking over de naties voor jouw gelaat.
21 Breng, Wezer, schroom over hen,
0 de naties voelen, mens zijn zij. Plavei.
1 Waarom, Wezer, stel Jij je in de verte,
0 verheimelijk Jij je in tijden van nauwte?
2 De doemende laait van trots bij de gebogene.
0 In de greep van de plannen door hem beraamd.
3 Ja, de doemende viert zijn zielsbegeren
0 en zegent afknijpen, schampert Wezer.
4 De doemende rijzig in zijn toorn vraagt nooit,
0 er is geen Machtige bij al zijn plannen.
5 Zijn wegen vermogen te allen tijde,
0 hoog jouw schikkingen hem onbeduidend,
0 op al zijn benauwers blaast hij.
6 Hij zegt in zijn hart: ‘Nooit wankel ik,
0 geslacht op geslacht buiten het kwaad.’
7 Verwensing vult zijn mond en geveins en afpersing,
0 onder zijn tong kwelling en zwelligheid.
8 In belaging zit hij bij hoven,
0 hij verdelgt in het verborgene geschoonden,
0 zijn ogen koesteren de versaagde.
9 Hij belaagt in het verborgene als een leeuw in zijn hut,
0 belaagt om de gebogene te schaken,
0 schaakt de gebogene, sleept hem in zijn net.
10 En gestoten zijgt en valt hij,
0 de versaagden in zijn kloekheid.
11 Hij zegt in zijn hart: ‘Macht vergeet,
0 verbergt zijn gelaat, ziet niet durend.’
12 Sta op, Wezer, Macht, verhef je hand,
0 vergeet de gebogenen niet.
13 Waarom schampert de doemende de Machtige,
0 zegt hij in zijn hart: ‘Jij vraagt niet na’?
14 Jij ziet, ja, Jij, met kwelling en grieving,
0 Jij kijkt, om het in jouw hand te geven,
0 de versaagde verlaat zich op Jou,
0 de wees, Jij weest zijn helper.
15 Breek wie kwaadaardig doemt de arm,
0 vraag je naar zijn doemen, je vindt niets.
16 Wezer Koning eeuwig en immer,
0 gesneefd de naties uit zijn land.
17 Het begeren van gebogenen hoor Jij, Wezer,
0 Jij vestigt hun hart, je oor acht.
18 Om wees en gestotene te schikken blijft nooit meer
0 te duchten de mens uit het land.

