psalmviering van de week

Elke week verschijnt op deze pagina een ‘psalmviering van de week’,
waarbij thuis mee gebeden kan worden.

Psalmviering 73

Zang

Hoe goed ben Jij – louter
gunnen, niet te vatten,
tot wij schouwen Jou
zuiver van hart.

Hoe goed ben Jij – nu nog
zien wij in een spiegel
wazig, dan ten volle zo-
als wij gekend zijn.

Hoe goed ben Jij – verzonken
in het diep van jouw
genade, leven wij
om niet geschonken.

Hoe goed ben Jij – heilig
zijn wij in jouw ogen,
op vleugels draag Jij ons,
jouw heilig volk.

Hoe goed ben Jij – wij zingen
van jouw liefde, voelen
met heel ons wezen
te zijn bij Jou?

Beurtlezing – Baruch 3,14-19.23-36

Waar besef is, kracht en inzicht,
daar is leven en lengte van dagen,
daar is het licht in de ogen en vrede.
Wie vindt hun verblijfplaats,
wie gaat hun schatkamers binnen?

Waar zijn de heersers van de naties,
die de wilde dieren temmen
overal op aarde
en met de vogels van de hemel spelen?

Waar zijn de bezitters van schatten,
van zilver en goud,
op wie mensen vertrouwen
– eindeloos is hun graaizucht?

Waar zijn de schatrijken
die alleen maar uit zijn op zilver smeden,
maar hun werk laat geen sporen na?

Allen zijn zij verdwenen,
afgedaald in het dodenrijk,
anderen hebben hun plaats ingenomen.

Zij kenden de weg naar de kundigheid niet,
zij weten niets van haar wegen.

Israël, hoe weids is het huis van God,
hoe uitgestrekt het gebied van zijn macht?
Weids en oneindig is het,
hoog en onmetelijk.

Daar werden de reuzen geboren,
beroemde mannen uit de voortijd,
groot van gestalte,
vaardig in de strijd.
God heeft hen niet verkoren,
zij vonden de weg van de kennis niet.
Zij sneefden door tekort aan besef,
sneefden door kortzichtigheid.

Wie klom omhoog naar de hemel
om daar de kundigheid te halen,
wie heeft haar uit de wolken
naar beneden gebracht?
Wie stak de zee over
om haar daar te vinden,
wie kon haar kopen voor goud?

Niemand kent haar wegen,
niemand is vertrouwd met haar paden.
Alleen Hij die alles weet kent haar,
zijn besef heeft haar gevonden.
Eeuwig heeft Hij de aarde geschapen,
haar met dieren bevolkt.

Het licht gaat zijn weg,
door Hem gezonden.
Hij roept het
en het hoort Hem bevend.

Alle sterren stralen van vreugde,
elk vanaf zijn eigen wachtpost,
Hij roept ze en ze zeggen:
‘Hier zijn wij.’
Vol vreugde stralen ze voor hun schepper.

Zo is onze God,
niemand anders is
met Hem te vergelijken.

Stilte

Goed ben Jij,
Machtige,
louter goedheid.

Psalm

Stilte

Vertellen wil ik,
Wezer,
wie Jij werkelijk bent.

Wenk

Uit ‘Belijdenissen’ van Augustinus

Laat heb ik U liefgekregen,
o Schoonheid,
zo oud en zo nieuw.
Laat heb ik U liefgekregen.
En U was binnen
en ik was buiten
en daar zocht ik U.
U was bij mij
en ik niet bij U.
Geroepen hebt Gij,
geschreeuwd
en mijn doofheid doorbroken.
Gestraald hebt Gij,
geschitterd
en mijn blindheid verjaagd.
Gegeurd hebt Gij
en ik heb ingeademd
en snak nu naar U.
Geproefd heb ik
en nu honger
en dorst ik.
Aangeraakt hebt Gij mij
en ik ben ontvlamd naar uw vrede.

Uit ‘Geestelijke ladder’ van Johannes Climacus

Werp uw zorgen van u af,
ontkleed u van uw gedachten,
want het gebed
is niets anders
dan vervreemding
van de onzichtbare en zichtbare wereld.
‘Wat heb ik immers in de hemel?’
Niets.
‘En buiten U,
wat heb ik gevraagd op de aarde?’
Niets,
tenzij zonder afgeleid te worden
in het gebed
altijd gehecht te zijn in U.
Voor sommigen is rijkdom,
voor anderen roem,
voor weer anderen de schepping
het voorwerp van hun begeerte.
‘Voor mij
is gehecht te zijn in God
begerenswaardig
en in Hem is mijn hoop.’

Uit ‘God liefhebben’ van Bernardus van Clairvaux

De begeerte van de mens
hongert heviger
naar wat hij niet heeft
dan naar wat hij heeft.
Omwille van wat hij niet heeft
krijgt hij al snel genoeg
van wat hij heeft.
Als het om God gaat,
is het precies andersom.
Wie in dit leven
geen rust vindt
wordt in dat andere leven
door geen onrust
uit zijn evenwicht gebracht.
Hij zegt:
‘Mijn hoogste goed is het
mij in God te hechten.’
En ook:
‘Wat heb ik in de hemel,
en wat wilde ik op aarde,
los van Jou?’

Uit ‘Ken de wegen’ van Hildegard van Bingen

‘Tot de hemel richtten ze hun mond
en hun tong lieten ze op aarde de vrije loop.’
Dit betekent:
veel mensen zijn onwijs,
omdat ze de onmetelijke ‘schroom voor de Heer’
niet willen begrijpen
en aan zichzelf het verlangen ontnemen
waarmee ze naar Mij zouden moeten verlangen
en Mij, de ware God,
zouden moeten erkennen.
Ze weigeren in te stemmen met het goede
dat de mens altijd ter zijde staat,
opdat hij in God
goede daden bewerkt.
In tegenspraak tot het goede
omarmen zij dikwijls de bitterheid,
waardoor zij zichzelf bestelen.

Uit ‘Navolging van Christus’ van Thomas van Kempen

Heer,
waar kan ik op vertrouwen
in dit leven,
of wat is mijn grootste troost
bij al wat zich onder de hemel voordoet?
Jij toch,
Heer mijn God,
wiens barmhartigheid zonder tal is?
Waar is het mij goed gegaan
zonder Jou?
Of waar heeft het slecht kunnen gaan
in jouw nabijheid?
Liever ben ik arm om Jou
dan rijk zonder Jou.
Ik verkies liever
met Jou op aarde onderweg te zijn
dan zonder Jou de hemel te bezitten.
Waar Jij bent,
daar is de hemel.
Jij bent mijn hoop,
Jij mijn vertrouwen,
Jij mijn troost.

Uit de geschriften van Franciscus Amelry

Het hart kán niet leeg zijn,
het is altijd ergens om bekommerd.
Dat is het,
waarover ik klaag.
Het maakt me ongerust.
Het stemt me veeleer droef
dan blij.
Want dikwijls kwam ik bedrogen uit,
omdat ik onbestendigheid vond
in wat ik mij voorgesteld had te beminnen.
Vaak verloor ik door scheiding
wat mijn hart had verkozen.
Daardoor voelde ik mij verlaten,
doordat me ontviel
waar mijn hart in rustte.
Zo komt het
dat ik nu kwalijk weet
waar ik op steunen zal,
vrezende,
dat mij weer meer zuurs
dan zoets overkomen zal.

Uit ‘Merkstenen’ van Dag Hammarskjöld

Gij die boven ons bent,
Gij die een van ons bent,
Gij die bent –
ook in ons,
mogen allen U zien –
ook in mij,
moge ik uw weg bereiden,
moge ik dan dankbaar zijn
voor al wat mij ten deel valt.
Want ik ben in uw hand
en in U is alle kracht en goedheid.
Geef mij een zuiver hart –
dat ik U mag zien,
een ootmoedig hart –
dat ik U mag horen,
een hart vol liefde –
dat ik U mag dienen,
een hart vol geloof –
dat ik in U mag blijven.

Gebed

Enkel goed was Jij, o God,
toen wij door leegte verscheurd,
aan Jou twijfelden.
Wees ook goed voor ons
als wij beproefd tot het uiterste,
blijven schuilen in Jou.
Laat ons voelen
jouw gunnende liefde.

Zang

K1     Hoe verbitterd ik ook ben,
0        gestoken, zonder
0        gevoel bij Jou,
K2     nog ben ik bij Jou,
0        Jij houdt mij vast,
0        Jij leidt mij, neemt mij.

K1     Wie anders in de hemel
0        of op aarde zou ik
0        willen buiten Jou?
K2     Al overvalt de dood mij,
0        Jij bent mijn rots,
0        mijn erfdeel eeuwig.

K1     Ver van Jou is het geen leven,
0        Jou ontrouw zijn is
0        niemand zijn.
K2     Jouw nabijheid is mij goed,
0        ik schuil in Jou, ik ben
0        jouw levenswerk.

Van deze psalm is nog geen inleiding beschikbaar.

Colofon

Deze uitgave kwam tot stand met medewerking van
Titus Brandsma Memorial, Nijmegen

© Teksten: Kees Waaijman
© Psalmzetting: Ad de Keyzer
© Psalmgebed: Laetitia Aarnink
© Zangzetting: Chris Fictoor

Niets van deze Psalmviering mag worden verveelvoudigd
en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch,
door geluidsopname of op enige andere wijze,
zonder voorafgaande toestemming van
Titus Brandsma Memorial, Nijmegen