Titus Brandsma kwam in Kamp Amersfoort terecht vanwege zijn verzet tegen Duitse maatregelen om de vrije meningsuiting te belemmeren en de onderwijsvrijheid in te perken, alsmede om zijn protesten tegen de maatregelen jegens de Joodse bevolking.
John Dons kwam daar terecht vanwege zijn deelname aan de verzetsgroep de Oranjewacht.
De twee raakten bevriend en in het voorjaar van 1942 maakte John deze tekening van Titus, voordat deze werd overgeplaatst naar Dachau.

De kunstenaar: John Dons
Datum: voorjaar 1942
Plaats: Kamp Amersfoort

Toen John Dons Titus Brandsma portretteerde, zaten beiden gevangen in het Polizeilicher Durchgangslager Amersfoort.

Daar beiden er slecht aan toe waren, John had open tuberculose,  verbleven ze in de ziekenbarak.Daar heeft hij Titus – clandestien – geportretteerd: aandachtig, vriendelijk en vastberaden, krachtig.

De beeltenis van Titus Brandsma vormt het hart van de Titus Brandsma kapel in de Gedachteniskerk te Nijmegen.

De oorspronkelijke potloodtekening heeft de grootte van een A-5-je. Het origineel bevindt zich in het Nederlands Carmelitaans Instituut in Boxmeer.

In het archief van het Carmelitaans Instituut in Boxmeer bevindt zich de tekening van John Dons van Titus Brandsma, geen kopie maar het origineel met de complete signatuur van John Dons.

Op de achterzijde staat te lezen: ‘Reproductie toegestaan, John Dons’. Hij heeft blijkbaar voorzien dat er een vraag naar kopieën zou komen.
John Dons was 26. Ondanks dat hij wist dat hij ter dood veroordeeld kon worden kon hij denken aan de mensen die in die donkere dagen steun konden vinden in de tekening die hij op dat moment maakte van die kleine man tegenover hem.

John Dons werd geboren te Utrecht als oudste zoon van de Utrechtse kunstschilder Bernardus (Bern) Dons en diens vrouw Anthonia Margaretha Bührmann.

Hij leerde al jong tekenen en schilderen. Een week voor zijn 16e verjaardag overleed zijn moeder aan de gevolgen van tuberculose.

Rond zijn 26ste overleed zijn twee jaar jongere zus Wia ook aan tbc. John zelf was ook besmet geraakt en leed aan open tuberculose.

Nadat de Duitse troepen Nederland hadden bezet in mei 1940, werden verschillende verzetsgroepen opgericht, zoals de Oranjewacht die in verschillende steden actief was.

In Utrecht sloot de jonge kunstschilder Johan ‘John’ Dons, geboren 26 februari 1915 en telg van een artistieke familie, zich daarbij aan. Hij werd opgepakt en belandde via het Oranjehotel in Kamp Amersfoort.

Kamp Amersfoort was als concentratiekamp operationeel vanaf augustus 1941 en kende een zwaar regime van mishandeling, dwangarbeid en honger.
Volgens medegevangene Dirk Folmer ging de aan tuberculose lijdende Dons er al snel slechter uitzien, liep hij in beugels, maar werd redelijk behandeld omdat hij de bewakers portretteerde.

Van zijn hand zijn tekeningen overgeleverd van verschillende medegevangenen, zoals van Titus Brandsma en Piet Hoefsloot.
Op enig moment werd de veroordeling van John Dons tot tuchthuisstraf omgezet in de doodstraf.

In zijn afscheidsbrief aan zijn vader en anderen schreef Dons: “… ik moet jullie als laatste schrijven dat ik moedig den dood in ga” en “ik ben blij deze laatste nacht vlak bij jullie te zijn geweest”. John Dons werd op 9 juli 1942 met acht andere verzetsleden gefusilleerd in het Fort bij Rhijnauwen.

Vlak voor hij wordt gefusilleerd maakt de Utrechtse kunstschilder John Dons een laatste schilderij. Hij geeft het aan SS’er Willy Engbrocks, zijn bewaker in Kamp Amersfoort. Bij hem hangt het enige jaren aan de muur, maar verder was het nooit ergens te zien. Daar komt nu verandering in.

Hoewel een zomerdag, is het niet erg warm op donderdag 9 juli 1942. In het groen buiten Utrecht, op het Fort Rhijnauwen, legt een Duits vuurpeloton aan. Een reeks droge knallen maakt een einde aan het leven van negen leden van de verzetsgroep Oranjewacht.

Onder hen de Utrechtse kunstschilder John Dons, 27 jaar oud. Op het moment dat hij levenloos neervalt, en zijn bloed vloeit, is de verf van zijn laatste schilderij nog nat.

Hij heeft het gemaakt in het eenzame halfduister van zijn cel, in concentratiekamp Amersfoort. De verfspullen geleend van zijn kampbewaker, Willy Engbrocks. Deze SS’er verklaart later dat John Dons kalmer werd met elke volgende penseelstreek.

In die nachtelijke uren, zijn laatste, brengt de jonge Utrechter zonder een moment te haperen de verf op het doek aan. Diezelfde nacht schrijft hij ook een afscheidsbrief aan zijn familie. Uit de woorden die hij kiest, spreekt enige berusting: ,,Moedig ga ik den dood in. Bang ben ik niet.”

Schilderij
Wat hij achterlaat, is een oer-Hollands landschapje. Naast een kerkje in de verte, zien we een voetpad en een watergang, alles onder hemelsblauwe luchten. En het laat kleurrijke bollenvelden zien,

waarin hij het rood-wit-blauw van zijn vaderland heeft verstopt. Het is een laatste daad van verzet. Willy Engbrocks heeft er ongetwijfeld een oogje bij toegeknepen; hij staat bekend als een ‘goede’ kampbewaker.

Als John Dons zijn cel voor de laatste keer verlaat, doet hij het schilderij aan de SS’er cadeau. ,,Je hebt veel voor me gedaan”, zegt hij. Zo verhuist het naar Tegelen, waar Engbrocks na de oorlog woont. Het hangt er jaren aan de muur.

Micha Dons is een neef van John Dons. Zijn vader Pieter was een broer van Johns vader, Bern. Eveneens een getalenteerd kunstschilder in Utrecht. John had zijn artistieke gaven niet van een vreemde.

Als Micha 15 jaar oud is, staat op een dag in 1970 Willy Engbrocks op de stoep. Het gezin woont dan aan de Springweg in Utrecht. Pieter Dons, elektrotechnisch instrumentenmaker, heeft hier een eigen zaak, Electroon. Micha is niet thuis, hij zit op school. Als hij thuiskomt, treft hij zijn vader volledig ontredderd en aangeslagen aan.

Had Engbrocks spijt? Last van wroeging? Micha, inmiddels 62 jaar oud en woonachtig in Emmen, weet nog steeds niet wat de voormalige kampbewaker er precies toe heeft gebracht het laatste schilderij van John Dons terug te willen geven. Vader Bern is dan al overleden; dit werk van zijn zoon heeft hij nooit gezien. Zodoende komt Engbrocks terecht bij Pieter Dons. Die wil het landschap thuis niet ophangen. De confrontatie is te groot. In plaats daarvan bergt hij het op. In een kluis, bij de bank.

Maarten Venderbosch 29-04-17 Algemeen Dagblad

Over ‘ome John’ en diens tragische einde wordt in de familie niet vaak gesproken. Wat Micha bijvoorbeeld van hem weet, is dat hij streng gelovig was. En dat hij een zwakke gezondheid had. John was slecht ter been, hij liep met beenklemmen. Dat had te maken met een vaccin tegen pokken, dat verkeerd was gevallen. Oom John had een fistel aan zijn heup.

John schildert alleen als hij inspiratie heeft. Soms dus ook even niet. Dan gaat hij liever beeldhouwen of fotograferen. Maar het duurt in die vooroorlogse jaren nooit lang voor zijn vader hem tot de orde komt roepen. Want schilderijen moeten af. Zij brengen het brood op de plank.

In 1940 raakt John Dons betrokken bij de Oranjegroep. In verschillende steden sluiten zich mensen aan bij de verzetsgroep. Ook in Utrecht. Koeriers wisselden onderlinge informatie uit. John Dons moet ook koerier zijn geweest, al kan zijn neef Micha zich daar – gezien de beenklemmen – moeilijk een beeld bij vormen. In het latere doodvonnis van zijn oom staat dat hij ook geld zou hebben geronseld voor de verzetsgroep, dat hij betrokken is geweest bij de bewapening ervan, en dat hij bovendien in bezit is geweest van een ansichtkaart met daarop prinses Juliana en de kinderen.

Veertig leden van de groep worden aan het einde van dat eerste oorlogsjaar opgepakt. Nogal wat van zijn tekenwerk maakt John Dons in gevangenschap in Kamp Amersfoort. Beroemd is de potloodtekening die Dons hier maakt van Titus Brandsma, de karmelietenpater die in 1985 door de paus zalig werd verklaard. Hem tekent Dons in de ziekenboeg, als hij er ligt met open TBC.

Als de bankkluis wordt opgedoekt, en als Micha Dons in die tijd bovendien gaat trouwen, geeft zijn vader het schilderij aan hem.

,,Berg het goed op”, zegt hij erbij. Dat doet Micha. In krantenpapier gewikkeld, verdwijnt het voor jaren in een kast. In Emmen, in zijn woonkamer, hangt wel een half dozijn andere schilderijen gemaakt door een Dons. Micha vindt ze zonder uitzondering mooi en van grote artistieke waarde. Vol symboliek, meest religieus. Het is niet anders met de kleurrijke bollenvelden die zijn oom John schilderde: dat voetpad, dat moet het levenspad zijn. En het kerkje is zo gesitueerd dat je het al wandelend links laat liggen… maar de diepreligieuze John Dons is met de dood voor ogen niet zijn geloof in God verloren. Hooguit was zijn blik op de kerk als instituut veranderd. Hoe precies, en wie hem mogelijk heeft beïnvloed in Kamp Amersfoort, het zijn vragen waarop nooit meer een exact antwoord kan worden gegeven.

Inmiddels is het 2016 als de volgende vraag – onverwacht, misschien wel net zo onverwacht als de boetedoening van Engbrocks aan zijn vader – Micha Dons bereikt: mag Kamp Amersfoort het schilderij tentoonstellen?

Hij moet er diep over nadenken. Dat hij tenslotte ‘ja’ zegt, is niet omdat hij de aandacht wil vestigen op de verschrikkingen van de oorlog. Micha stemt toe uit respect en waardering voor het kunstzinnige talent van zijn oom John. Onderhand mag zijn landschap wel eens worden gezíen. En waar anders, beseft hij, dan ‘thuis’ bij Kamp Amersfoort.

Het Nationaal Monument Kamp Amersfoort laat het laatste schilderij van John Dons zien van 2 tot en met 9 mei. Op 2 juli opent hier bovendien een tijdelijke tentoonstelling over het schilderij, over John Dons, en over de andere geëxecuteerden, 75 jaar na hun dood.

John Dons. © Nationaal Museum Kamp Amersfoort

Titus Brandsma (1881-1942), verzetsheld en verdediger van het vrije woord, is geboren in Friesland. Hij werd karmeliet in het klooster te Boxmeer. Na zijn priesterwijding promoveerde hij in Rome tot doctor in de filosofie. In Nederland doceerde hij in Oss aan jonge karmelieten. Hij maakte zich plaatselijk verdienstelijk voor de ontwikkeling van onderwijs en cultuur. Hij werd hoogleraar aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen. In zijn colleges nam hij stelling tegen het nationaal socialisme.

Als geestelijk adviseur raakte hij betrokken bij de landelijke dagbladen en journalisten.

Persoonlijk reisde hij de directies af om hen te overtuigen geen nazi-propaganda te publiceren. Bij thuiskomst in Nijmegen werd hij gearresteerd. De Sicherheitsdienst besloot tot gevangenhouding van deze “gevaarlijke monnik”. Via Scheveningen, Amersfoort en Kleve kwam hij terecht in Dachau, waar medegevangenen zijn spirituele grootheid opviel. Door een dodelijke injectie kwam een eind aan zijn leven.

Na de oorlog werd hem postuum het verzetsherdenkingskruis verleend. Paus Johannes Paulus II heeft hem in 1985 zalig verklaard als heldhaftig geloofsgetuige.